Wat vertel je?

In hoeverre een kind zijn situatie begrijpt en overziet, hangt af van zijn leeftijd en zijn levenservaring. Kinderen die al een dierbaar iemand hebben verloren begrijpen eerder wat dood zijn betekent.

Kinderen beseffen dat zij doodgaan vaak stapsgewijs. Eerst komt het besef ‘ik word niet meer beter’ en pas daarna, vaak in een later stadium, ‘ik ga dood’.

Het helpt kinderen als zij concreet uitgelegd krijgen wat dood zijn betekent. Je kan aangeven, dat een dood lichaam niet meer kan ademen, denken, voelen, praten, eten of drinken.

Kinderen jonger dan 6 jaar: het lichaam is kapot of stuk, deze doet het niet meer. En de dokter kan het ook niet meer maken.

Kinderen tussen de 6 en 12 jaar: je zou de dood kunnen zien als een ballon waar de lucht uit is. Als de ballon kapot gaat vliegt de lucht ergens naar toe. Maar dat kunnen we niet zien. En we weten ook niet precies waar naartoe. Wat overblijft is de lege ballon zelf, net als een lichaam zonder leven.

Jongeren vanaf 12 jaar: zij begrijpen de dood goed. Wel hebben zij behoefte om een beeld te vormen waar iemand die dood is naar toe is gegaan. Hierover kun je met de jongeren in gesprek: wat denk jij, is er een hemel? Kan iemand die dood is nog naar ons kijken?

Het helpt niet om het slechte nieuws bedekt te willen vertellen. Zoals “dood zijn is als slapen’, ‘Je gaat een reis maken’, ‘Je gaat bij oma in de hemel wonen’, of ‘De Here God roept jou omdat hij je zo lief vindt.’

Kinderen hebben de ruimte nodig om er op verschillende momenten op terug te komen. Houd altijd rekening met de leeftijd en de mogelijkheden van het kind als je zijn vragen beantwoordt.